Boekenbal 2012 (1)

Eindelijk herinner ik me het boekenbal weer een beetje. Hier een paar flarden in twee delen. Deel 1.


Onderweg naar het boekenbal was ik bewapend met twee oude schrijvers met een buik. Mijn schrijver links was dichter en, zo fluisterde iemand me later die avond toe, een befaamd kleptomaan. Hij droeg een bruin pak met een witte sjaal, het was een gigant, een indiaan.

Over mijn schrijver rechts ben ik nog steeds niet uit. Ik noem hem de jager, want hij droeg een schapenvacht. De jager was de kleinste van de drie.

Hoewel de twee schrijvers mijn wapens waren, ik zag eruit als hun beveiliger. Ze zagen er sjofel uit, ik niet, want ik droeg mijn beste das omdat ik zo stom was geweest wél naar de uitgever te luisteren. De jager en ik kwamen erachter dat onze boeken een zin delen:
‘Ik wil nooit meer terug naar Amsterdam’.
Ook ontdekten we dat we alledrie dezelfde helden en vijanden hadden. In een paar gevallen niet, dan gaven de indiaan en ik de jager gelijk.

De indiaan liet zijn sigaretten op de toonbank liggen, ik mijn pinpas, en de jager, die geen sigaretten nodig had, stond tegen de etalage van Selexys te tieren op een boek van Herman Koch.

Bij de Albert Heijn op het Koningsplein haalden we sigaretten. De indiaan liet zijn sigaretten op de toonbank liggen, ik mijn pinpas, en de jager, die geen sigaretten nodig had, stond tegen de etalage van Selexys te tieren op een boek van Herman Koch.

Eerst gingen we naar het bal der verstotenen in de Kring, om ze uit te lachen, maar de verstotenen waren er nog niet. De jager zag twee gigantische vriendinnen die hij kende. Hij klom bij ze op schoot en begon in hun plooien te graaien. De eerste gigantische vriendin zei: ‘Ik zag laatst een Franse film waarin een vrouw, ’s ochtends bij het ontbijt, tegen haar minaar zei: ‘Je sliep zo diep. Je leek op een wild dier verdwaald in het bos van de slaap.’ Dat vond ik zo ontzettend mooi.’

[singlepic id=93 w=320 h=240 float=]

Ik zei dat ik het ook mooi vond, maar de indiaan schudde heftig zijn hoofd. De jager probeerde de glazen van zijn vriendinnen leeg te likken. De eerste vriendin hield met twee handen haar glas wodka tegen haar buik gedrukt en vroeg hoe ik heette. Ik stelde me voor. Ze keek in haar glas en zei een tijdje niets. Tenslotte zei ze zachtjes: ‘ik heb echt geen druppel joods bloed’. Maar niemand hoorde het, ze werd overstemd door haar vriendin, die gilde: ‘verdomme, ijswater in mijn decolleté’.

De jager, die verantwoordelijk was voor het ijswater, klauterde van haar schoot en verklaarde grinnikend dat het boekenbal klaar voor ons was. De indiaan en ik waren het daarmee eens.

Ik begon mij steeds meer als een beveiliger te voelen. Toen we de schouwburg in liepen, kon ik het niet laten erover te fantaseren hoe het zou zijn als schrijvers gevaarlijker waren en elkaar zo nu en dan met een gloeiende pook bedreigden. Ik twitterde ‘metaaldetectors #boekenbal’ en was er ontzettend trots op.

In de lobby raakte ik de indiaan en de jager kwijt.

Op de trap zag ik het meisje dat het mooie boek over kanker heeft geschreven. Toen ik naar haar oor dook, schrok ze, maar liet haar oor beleefd hangen. Ik vertelde haar oor, en een beetje haar wang, dat ik haar boek prachtig vond. Ze trok haar oor terug en vroeg: ‘welke?’, maar ik dacht dat ze het over de kankersoort had, dus ik mompelde een verontschuldiging en maakte me zo snel mogelijk uit de voeten.

einde deel 1