Boekenbal (2)

Eindelijk herinner ik me het boekenbal weer een beetje. Hier een paar flarden, in twee delen. Deel 2.


Pas uren later vond ik de jager weer op het balkon, nog steeds in zijn schapenvacht. Om hem heen stonden schrijvers, geheel in het zwart. Ik denk dat ze uit Rotterdam kwamen. Ze zongen met de jager mee:

‘coke! coke! coke!.’

De jager zag me staan en keek vragend:

‘coke?’.

De schrijvers in het zwart verstomden en keken me hoopvol aan. Even dacht ik me eruit te kunnen redden, want ik zag een uitgeversbaas en richtte me tot hem: ‘ik heb wel een nummertje, maar dan moet hij wel naar binnen kunnen komen. Kan jij dat regelen?’. De uitgeversbaas, die slimmer is dan ik, zei dat ze vast gewoon aan stempeltjes deden, dus dat ik best even naar buiten kon lopen.

Ik ging in mijn telefoon, zo langzaam mogelijk, op zoek naar het nummertje dat ik niet had.

Toen ik even later weer opkeek, waren de jager en de schrijvers in het zwart verdwenen, behalve één. Hij drukte me een glas bier in mijn handen en zei: ‘kom, ik zal je aan Gerrit voorstellen.’ Het duurde even voordat ik besefte wie hij bedoelde.

Gerrit zat op zijn troon in het trappenhuis.

Ik hurkte bij hem. Een boomlange man met een snor klom de trap op, om van bovenaf foto’s van ons te nemen. Ik, de dappere:

‘een tijdje geleden schreef u een column, daar was ik het zo ontzettend mee eens.’

Ik wist niet meer welke column het was, eigenlijk wist ik niet eens of hij die column wel geschreven had. Op dat moment wist ik even niets meer over de grote schrijver op zijn troon. Dat gebeurt nu eenmaal met helden; je kan ze beter niet ontmoeten. Maar Gerrit bulderde van het lachen.

Hij keek me met een rood hoofd aan en zei:

‘ik ben ook al de hele avond zo in de war. Prachtig! Weet je dat dit pas mijn derde boekenbal is?’

Toen sprong Connie als een aapje voor Gerrit’s troon. Ze huilde tranen van geluk, ze was zo blij om iedereen te zien. Ik stond op om me voor te stellen. Ze knuffelde me en zei dat ze familie was. En Komrij bleef maar bulderen van het lachen, dat hij het allemaal niet begreep.

De fotograaf met de snor boog zich over me heen, mijn hoofd zat ervoor. Ik probeerde hem uit te leggen dat ik zijn dochter een beetje kende, maar hij flitste mijn woorden beleefd weg. Op het boekenbal kent iedereen zijn dochter wel een beetje.

Het was zo verwarrend, dat Connie me had geknuffeld. Had ik haar dan al die jaren zonder reden gehaat?

Ik besloot om een rondje te lopen, van trappenhuis naar trappenhuis. Op de trap naar beneden knikte een klein mannetje met een binnenpretje me vriendelijk, bijna vragend toe. Hij kwam me bekend voor. Pas op de trap omhoog, aan de andere kant van het boekenbal, realiseerde ik me, terwijl ik uitgleed over een harem van Jan Mulder, dat ik het mannetje eerder had gezien op een feest van de uitgever. Ik stond toen buiten, in de grote rookruimte, en genoot van een verhaal dat iemand over Louis Nanet vertelde. Het mannetje had zich niet voorgesteld, maar ik ook niet, we keken elkaar alleen maar vriendelijk aan.

Mijn rondje boekenbal was verassend snel gemaakt, met als verschil dat toen ik weer bij de troon van Gerrit aankwam, die leeg was. Ik besloot om nog een rondje te maken, maar ditmaal een subtiel andere route te kiezen, ongetwijfeld vol van vertrouwde of bovengemiddeld geïnteresseerde mensen in, bijvoorbeeld, mijn waanzinnige das.

Op dezelfde trap kwam ik hetzelfde mannetje weer tegen. We knikten elkaar weer toe.

Hoe het gebeurde, weet ik niet, maar ik slaagde erin om tweemaal hetzelfde rondje te lopen en wederom niemand tegen te komen. In de troon van Gerrit zat nu de indiaan. Hij was moe en dronken. Toen hij me zag, riep hij: ‘ik ga naar huis. Ik ben moe en dronken’. Ik hielp hem uit de troon van Gerrit en bracht hem naar de uitgang. Terwijl ik bij de uitgang de witte sjaal over zijn schouders drapeerde, vroeg ik: ‘weet jij eigenlijk wie Louis Nanet is?’. Hij reageerde niet, omdat hij zich staande probeerde te houden, maar ik realiseerde me dat ik allang wist wie het was.