Nemesis

‘alles, in principe wil ik alles’.

De verkoper kijkt omhoog. Het is een gepaste plek om alles te willen: de winkel verkoopt inderdaad alles. We staan onderaan aan de voet van het roltrappenparadijs en kunnen nog overal naartoe.

De verkoper kijkt me weer aan, paraat, nu. Hij weet dat hij verkopen kan.

Alleen dat ‘in principe’ beviel hem niet.

‘U weet meneer, dat dit een een vrij grote winkel is?’

‘Ja. En daarom wil ik alles.’

De verkoper kijkt sceptisch naar de thermoskan in mijn hand. Er zit er ook een in mijn tas, maar dat weet hij niet.

‘Meneer, we verkopen werkelijk alles. Zelfs de roltrappen, kijkt u maar.’

Er hangen prijskaartjes aan de roltrappen. Aan elke trede hangen prijskaartjes; kleinere kaartjes.

‘Weet u wat?’

Ik wacht even tot de minachting volledig over zijn gezicht is neergedaald. Bij de volgende zin spreek ik elk woord steeds langzamer uit. Thuis heb ik er op geoefend. Pas toen ik de laatste woorden fluisterde, was mijn spiegelbeeld overtuigd.

‘Laat dat in principe maar zitten. Ik wil, gewoon, alles.’

De minachting op het gezicht van de verkoper maakt plaats voor verrukking. Hij raakt niet in paniek. Hij weet dat je alles verkopen kan, ook alles.

‘kunt u hier even wachten?’

Hij wijst naar het picknickstoeltje dat ik bij me heb. Ik heb er een band aan bevestigd, het hangt om mijn schouders.

‘Ga anders vast even zitten’.

Ik ga zitten, terwijl de verkoper zijn meerderen raadpleegt of iets met een andere verkoper afhandelt.

Het is een behoorlijk comfortabele picknickstoel, maar het is een krappe winkel.

Ik blokkeer de uitgangen van enkele roltrappen, de winkel propt zich vol. De mensen worden boos. Ze vragen me waar ik mee bezig ben zonder op een antwoord te wachten. Gelukkig heb ik een mooi boek bij me.

Als de verkoper terugkomt, is hij zonder meerdere.

Ik ga staan, klap mijn stoeltje op en de mensen stromen langs ons heen.

Hij kijkt ze vermoeid na, alsof ik er niet ben.

‘Goed. U dus wilt alles.’

Inmiddels ben ik behoorlijk ongeduldig geworden.

‘Mooi. Laten we beginnen. Kunt u mij eerst de ipads laten zien?’