Donateur

Bij de pinautomaat op de hoek van de Ceintuurbaan en de Ferdinandbolstraat stond een man die geen geld meer kon opnemen. Er stond nog €9,19 op zijn rekening. Hij droeg een oud beige pak, maar had een goed bijgehouden beige snor.

Ik stond achter hem, op het punt om honderd euro op te nemen, gewoon, om geld op zak te hebben.

De man treuzelde niet, hij maakte ook geen raar, ongecontroleerd gebaar uit schaamte.

 Zodra hij zag dat hij maar €9,19 op kon nemen, nam hij zijn pas terug en ging langs de Ceintuurbaan staan. Met zijn hoofd volgde hij de auto’s, van links naar rechts, en van rechts naar links, alsof hij zich voorberreidde op een oversteek. Maar dat deed hij niet. Er zat een tientje in mijn rechterzak, het bedrag wat hij waarschijnlijk had willen pinnen.

Twee weken geleden heb ik me bij het station een adoptiekindje laten aansmeren door zo een spontaan iemand met een clipboard. Ik was bang dat ik mijn trein zou missen en had de tegenwoordigheid van geest om te besluiten dat ‘ja’ zeggen tegen een clipboard waarschijnlijk sneller zou zijn dan er een af te wimpelen.

In het buitenland lijkt afwimpelen makkelijker. Als een vreemdeling mij daar iets probeert te verkopen, antwoord ik stellig, alsof ik net van de ijssalon kom, ‘I’m good’.

Uiteindelijk haalde ik mijn trein niet: de pen van het clipboard deed het niet en de spontane jongen wilde voortdurend mijn hand schudden. De volgende dag belde ik naar de stichting om mijn donateurschap op te zeggen.


De man die niet kon pinnen bleef de auto’s volgen alsof er tientjes uit zouden kunnen wapperen. De maan stond al aan de hemel, maar de zon was nog niet ondergegaan. Ik overwoog om naast hem te gaan staan, maar het kruispunt was, zelfs in het merkwaardige licht, niet echt een uitzicht, en naast een vreemde gaan staan doe je alleen in de wc, op het station, of als er wel een uitzicht is. Het risico van een gesprek was mij te groot en de man vroeg niet om het tientje dat in mijn zak brandde. Ik besloot mijn fantasie als een barmhartige te laten voor wat het was.

Niet veel later die dag reed ik met de auto over hetzelfde kruispunt. De man die niet kon pinnen stond niet meer langs de weg, maar ik stak een hand in mijn zak en verzekerde me ervan dat ik het tientje nog steeds in de aanslag had.