Mak³

Een paar weken geleden zat ik met mijn tante in café Baan. Bij dat café hoort Jerry, een stevige, zo niet moddervette kale Amsterdammer met een grote tatoeage van N.W.A. op zijn rechter onderarm. Hij werkt er niet, maar hangt er graag. De eerste keer dat ik hem ontmoette hield hij een lange tirade over John Mayer, John Legend en nog een paar van dat soort muzikanten. Ik moest er hard om lachen en dat leek hij wel te waarderen. Ik vergat me die avond aan hem voor te stellen, dus als we elkaar op straat tegenkomen, groeten we elkaar niet. Alleen in het café. Hoewel dit het enige café is waar ik graag kom, was ik er liever niet met mijn tante naartoe gegaan, want de muziek is er goed en stond op een normaal volume. We bestelden allebei kipsaté. Mijn tante onderhandelde over het volume van de muziek en won. Daarna begon ze uitgebreid over Robbert Dijkgraaf, maar het grootste deel van de tijd had ze het over Geert Mak en waarom ik zijn laatste boek had moeten lezen. Jerry wurmde zich langs ons tafeltje. Bij het horen van de naam ‘Geert Mak’ verstijfde hij, alsof hij klem was komen te zitten tussen ons tafeltje en een barkruk. Misschien was dat ook wel zo. [singlepic id=104 w=320 h=240 float=] Hij blafte mijn tante toe: ‘Geert Mak?’ ‘Ja’, zei mijn tante ferm, klaar om haar generatiegenoot te verdedigen, maar tegelijk gecharmeerd van zijn Amsterdamse accent. ‘Neem dit nou van mij aan, lieve schat: heb je een spiegeltje bij je? Moet je die er eens bijpakken. Mijn tante, nog meer gecharmeerd van zijn accent, vond een spiegeltje in haar tas. ‘Nu, kijk in de spiegel, zeg drie keer ‘Geert Mak’ en vertel me wat er dan gebeurt. Om eerlijk te zijn had ik niet verwacht dat ze het zou doen. ‘Geert Mak, Geert Mak, Geert Mak.’ Ze keek hem aan. ‘Er gebeurt niks’. ‘Precies’ bulderde Jerry door het cafe, terwijl hij zijn jas dichtritste en met een joviale zwaai, maar zonder te betalen de tent verliet.