Vlinders en adelaars

Het is eindelijk weer mooi weer in Taiwan, meteen is het heet. Ik zit in Da’an park en maak me zorgen over mijzelf. De meeste mannen in het park zijn mannen die het gras maaien. Sinds ik in Taiwan ben, twee weken nu, heb ik nog geen vogels gezien. Alleen vlinders en adelaars. Ik begin aan een mail aan een ex. Het grootste deel van mijn volwassen leven heb ik over ex-vriendinnen nagedacht. Het overgrote deel daarvan besteedde ik aan de conclusie dat ik minder aan ze moest denken. Een taiwanese man komt naar me toe Hij draagt een shirt met daarop het kastanjeblad van Canada. Eronder staat: ‘Canada’.

 

‘Je bent je hersenen aan het verbeteren!’

Ik kijk hem verbaasd aan.

‘Ja, dat klopt. Ik ben aan het schrijven!’

De man wijst op mijn ipad.

‘Iedereen heeft die dingen tegenwoordig. De mensen worden er beter van, denk ik. Waar kom je vandaan?’

‘Amsterdam, Holland!’

‘Ah. Nederland! Vroeger zaten de Nederlanders hier, aan de kust. Vierhonderd jaar geleden!’

Ik had geen flauw idee.

‘Ja, dat is waar. We houden van reizen. Wat doet u, als ik vragen mag?’

‘Ik werkte voor de overheid, maar nu heb ik geen werk. Ik werk voor de hemel!’

De Taiwanese man draagt een plastic tas met ongewassen kleren. Ik wijs naar boven.

‘De hemel?’

‘Ja, de hemel! Ben je getrouwd?’

Zonder op mijn scherm te kijken, zet ik de ipad uit.

‘Nee. Nog niet.’

Ik overweeg om hem uit te nodigen om naast me te komen zitten, maar volgens mij hoeft dat niet bij parkbankjes.

‘Ben je een christen?’

Aarzelend vertel ik dat mijn moeder een christen was, alsof ze niet meer leeft. Ze leeft nog wel, maar is geen Christen.

‘En je vader?’

Minder aarzelend lieg ik dat hij een jood was.

‘Een jood? Die zijn zeldzaam! Israel, he?’

Hoofdschuddend bevestig ik:

‘Ja, Israel.’

‘Ga je weleens naar de kerk?’

Nogmaals lieg ik.

‘Ja, zo nu en dan’.

Het is geen leugen. Ik ben weleens in een kerk geweest.

‘Ik heb gehoord dat Jezus zelf nooit naar de kerk ging. Je vader, wat doet hij?’

‘Mijn vader is dood.’

De man kijkt me gerustgesteld aan.

‘Mijn vader is een paar jaar geleden overleden, hij was 94. Hij stierf in zijn slaap.’

Hij doet het voor. Ik knik tevreden. Hij doet het goed. Het ziet eruit als een mooie dood.

Ik besluit om hem mijn verhaal niet te vertellen. Dat ziet hij.

‘Ik moet gaan. Bless you’.

Ik wijs op mijn hart.

‘Bless you too’.

En voel me gezegend.


De man heeft zich nauwelijks omgedraaid om zijn dag te vervolgen, of er duikt vanachter me een dikke kale westerling op me af. Hij komt meteen naast me op het bankje zitten. Er zit een bloedblaar in zijn ooghoek. Hij laat me een plastic tas van de 7-11 zien, daaruit steekt een gebroken golfclub.

‘Mijn vriend heeft deze club gebroken. Een hele dure club. Duizenden dollars in jouw valuta. Waar kom je vandaan? Duitsland?’

‘Nederland’

‘Ik moet zo echt naar bed. Tot vijf uur ’s ochtends gefeest. Echt gestoord’.

Er loopt een Taiwanese vrouw met een mondkapje voorbij. Ze is knap, maar niet zo knap als de meeste Taiwanese vrouwen.

De westerling wijst haar na met zijn gebroken zak golfclubs.

‘Wow. Ik neuk ze allemaal. Ik vind het zo fijn als ze een brilletje op hebben, als ze me pijpen moeten ze daarna hun brilletje afvegen’.

Ik lach en besluit het onderwerp om te gooien.

‘Waar kom je vandaan?’

‘Canada. Ik ben dakloos, maar elke week krijg ik duizend US dollar op mijn rekening. Aan het eind van mijn leven wil ik in elke stad zijn geweest, ze allemaal hebben geneukt. En tegelijkertijd loop ik nog steeds door de bergen in Canada, maar dat weet niemand, Snap je? Ik moet gaan. Hoe heet je?’

‘Niels’

‘Alan Lewis. Tot ziens!’

Hij rent naar de grasmaaiers en probeert ze te verjagen met zijn gebroken golfclub. Hij roept dat ze moeten stoppen, dat hij zo niet kan slapen.